I Solisti del Vento
Producties
...

Gran Partita

Groot, groter, gran
Van heimwee had Mozart bepaald geen last. Al aan het prille begin van zijn carrière was hem geleerd dat muziek geen heimat heeft. Als wonderkind deed hij onder begeleiding van zijn vader Leopold alle toonaangevende steden van Europa aan. Van edellieden tot kerkheren, van spraakmakers tot nuttelozen: iedereen droeg de kleine jongen op handen. Leopold, die zijn functie als kapelmeester aan het aartsbisschoppelijk hof van Salzburg onderbrak om met zoonlief rond te reizen, had het goed bekeken: alleen een open geest en een internationale ervaring zouden zijn zoon in staat stellen alle verwachtingen te overtreffen.

Eenmaal terug in Salzburg bleek die internationale studiereis voor claustrofobische spanningen te zorgen. Voor Mozart, die een gelijkaardige post als zijn vader wist te claimen, verwerd het aartsbisdom al gauw een verstikkend provincienest. Een enkele reis naar Parijs – ditmaal zonder vaderlijke escorte – bleek hem niets op te leveren. En dus leerde Mozart in het buitenland ook dit: smaken durven zich wel eens te verstellen en een vroegtijdig succes is geen verzekering op levenslange appreciatie.

In 1781 nam Mozart zijn meest berekende gok. Met een aartsbisschoppelijke schop onder de kont liet hij zich uit Salzburg bonjouren, en trok hij naar Wenen om er het mooie weer te maken. Geen missen of vespers, maar opera’s en pianoconcerto’s zou hij componeren. Dat lukte wonderwel, al moet gezegd dat het aanvankelijk vooral die laatste waren waarmee hij naam maakte. Maar er waren ook andere composities die Mozarts Weense carrière leven moesten inblazen. Een ervan nam dat laatste alvast erg letterlijk.

Tussen alle composities die Mozart aan het begin van de jaren 1780 produceerde, bevond zich ook zijn meest intrigerende blazersserenade. De Serenade in Bes, KV 361, geschreven voor twee hobo’s, twee klarinetten, twee bassethoorns, vier hoorns, twee fagotten en onderstut door een contrabas, staat geboekstaafd als de mooiste bijdrage tot de achttiende-eeuwse ‘harmoniemuziek’. Haar bijnaam, ‘Gran partita’, dankt deze compositie aan een betwistbare toevoeging op de autograaf. Authentiek of niet, ‘groots’ is deze compositie alleszins. Alles in deze serenade draagt in zich namelijk ambitieuze beloften. Zo is er de grootse instrumentatie, die met drie paar sopraaninstrumenten en twee paar hoorns een bron aan klankkleuren aanboort. Net zo indrukwekkend is de monumentale, zevendelige vorm, inclusief een langzame introductie, twee menuetten en twee heerlijk mijmerende langzame bewegingen. Afsluiten doet Mozart met een grandioze finale in rondovorm, waarin de elkaar toesnauwende instrumenten reeds vooruitblikken op de operatheatrale inventiviteit waarmee Mozart niet veel later zou scoren.
tekst Tom Janssens

Programma

W.A. Mozart, Serenade in B KV 361 'Gran Partita'

W.A. Mozart, Ouverture uit 'Die entführung aus dem Serail'

Deze werken worden in de concerten voor het Festival van Vlaanderen (zie *) gecombineerd met de creatie van Luc Van Hove, met uitzondering van 27 september 2009 in Scherpenheuvel.


Concerten

Do 17 september 2009

Wemmel (B), GC De Zandloper *

Zo 20 september 2009

Maldegem (B), Sint Barbarakerk *

Za 26 september 2009

Maarkedal (B), Kerk Maarke-Kerkem *
Zo 27 september 2009

Scherpenheuvel (B), CC Den Egger *

Do 1 oktober 2009

Herzele (B), Sint Martinuskerk *

Za 3 oktober 2009

De Pinte (B), OC Polderbos *

Do 15 oktober 2009

Tienen (B), CC De Kruisboog *
Vr 16 oktober 2009

Lokeren (B), Sint Laurentiuskerk *

Za 17 oktober 2009

Vilvoorde (B), CC Het Bolwerk *

Za 21 november 2009

Hoorn (NL), Lutherse Kerk

Wo 3 maart 2010

Brussel (B), Museum vr. Schone Kunsten

Zo 2 mei 2010

Lier (B), Jezuïetenkerk *


Info en tickets
zie kalender



Toelichting:
Sublieme gebruiksmuziek: Mozarts Gran Partita

De geschiedenis van Mozarts meest ambitieuze en meest bekende werk voor blazers, de sublieme Serenade in Bes KV 361, is er eentje die met gemak kan wedijveren met de materie waaruit mysterieuze verhalen opgebouwd zijn: corrupte uitgaven, héél veel verkeerde noten, en een plots verdwenen maar uiteindelijk teruggevonden manuscript. Anton Stadler, de klarinettist voor wie Mozart zowel het Klarinetkwintet KV 581 als het late, sublieme Klarinetconcerto KV 622 schreef, was één van de twee klarinettisten in dienst van Keizer Jozefs Harmonie. Hoogstwaarschijnlijk organiseerde Stadler een privé-benefietconcert tijdens de Vastenperiode van 1784, een periode waarin de operahuizen gesloten waren en de hofmuzikanten van de Weense adel steevast met vakantie gingen. Stadler kon dus zoveel mogelijk van de beste blazers engageren voor zijn concert, en hij vroeg Mozart om een “groots, speciaal stuk voor blazers” te componeren, en zo werd het werk ook aangekondigd in een advertentie in het Wienerblättchen, kort voor het bewuste concert op 23 maart 1784. Sof ar, so good lijkt het wel, en begin 1784 werd tot voor kort – en in de Neue Mozart Ausgabe nog steeds – algemeen aanvaard als de periode waarin de Gran Partita ontstond.
Toch liggen de zaken niet zo simpel als ze wel lijken. De eminente Mozart-onderzoeker Alan Tyson is op basis van uitgebreid onderzoek van de gebruikte papiersoorten waarop Mozart zijn composities schreef, tot de conclusie gekomen dat de datum 23 maart 1784 onmogelijk rechtstreeks in verband kan gebracht worden met het ontstaan van deze serenade. Het autograaf van de Gran Partita is genoteerd op een papiersoort die door Mozart ook voor vier andere werken gebruikt werd, composities die alle vier met zekerheid al uit 1781 stammen. Uit de manier waarop Mozart de bladzijden met notenbalken indeelde en gebruikte, kan zelfs opgemaakt dat de 24 pagina’s in kwestie specifiek werden aangekocht met de bedoeling er de Gran Partita op te noteren. Uit heel wat documenten komt trouwens naar voor dat er ook al in 1781 in Wenen een bloeiende harmonie actief was, met Stadler in een hoofdrol.

Mozarts autograaf, ook voor het concert van 1784 gebruikt om er partijen voor de individuele muzikanten uit te kopiëren, leidde nadien een eigen, moeilijk te traceren leven. Na Mozarts dood einde 1791 belandde het net zoals het gros van zijn autografen in de nalatenschap van zijn weduwe Constanze. In 1799 verkocht ze de partituur, net zoals alle manuscripten van Mozart die op dat moment nog in haar bezit waren, in een poging om eindelijk uit de financiële problemen te geraken. Sinds 1803 verdwijnt het autograaf uit het gezicht en komt het van de ene privé-collectie in de andere terecht, zonder dat musicologen wisten waar Mozarts manuscript zich bevond.
De partijen daarentegen, zowel in 1781 als in 1784 gebruikt door de verschillende musici, vormden tot 1979 de bron voor alle uitgaven van het werk. Helaas was er daarbij één cruciaal probleem: de individuele partijen bevatten talloze fouten. Pas toen Mozarts autograaf midden in WOII terug opdook in de Library of Congress in Washington DC, kon Mozart-specialist Alfred Einstein het autograaf vergelijken met de partijen en alle latere uitgaven. De resultaten waren, op zijn zachtst gezegd, verbluffend. Er bleken zomaar eventjes 900 verschillen te zijn tussen beide bronnen als het op de juiste plaatsing van aanduidingen met betrekking tot de dynamiek ging, meer dan 600 simpelweg foute noten, vele tientallen harmonische of ritmische fouten. Zelfs met betrekking tot de instrumentatie rezen er opvallende vragen: moest de baslijn gespeeld worden op een contrafagot, zoals vaak was aangenomen, of op een strijkbas? Een vraag die ook tegenwoordig nog tot verhitte discussies onder uitvoerders kan leiden.

Het meest opvallende aan deze serenade, zijn de dimensies waarop Mozart ze concipieerde. Naast het zelfs voor een serenade groot aantal delen – zeven – valt vooral de uiterst luxueuze bezetting op. Mozart doet beroep op niet minder dan zes paar blaasinstrumenten: 2 hobo's, 2 klarinetten, 2 bassethoorns, 2 fagotten, 2 hoorns in fa en 2 hoorns in sibemol. Aan deze groep blazers voegt hij een strijkbas toe. Mozart realiseerde zich maar al te goed dat een van de grootste zwakheden van een groep blazers meestal de stille klank van de baslijn is, wanneer deze gespeeld wordt door één enkele fagot in haar diepste register. Daarom gebruikt hij een contrabas om de tweede fagotpartij een octaaf lager te verdubbelen. Wanneer men nauwkeurig naar Mozarts autograaf kijkt, wordt het bovendien onmiddellijk duidelijk dat Mozart wel degelijk om een contrabas en niet om een contrafagot vroeg. Vooral het onderscheid tussen “arco” (gestreken) en “pizzicato” (getokkelde) noten laat in dat opzicht geen ruimte voor twijfel.
Het eerste deel begint met langzame inleiding (Largo) waarin tutti-passages in gepunte ritmes uitgespeeld worden tegen solo’s voor klarinet en hobo. Meteen maakt Mozart duidelijk dat het de eerste klarinet is die de muzikale leiding in dit werk voor haar rekening zal nemen, en ook dat het tegenover elkaar plaatsen van één of meerdere tijdelijke solisten tegenover het ensemble in de opbouw van het werk een belangrijke rol zal spelen. Het Largo loopt meteen over in een Allegro moderato, geschreven in een monothematische sonatevorm – het openingsthema beheerst met talloze varianten en afgeleiden het hele deel.

Als tweede deel kiest Mozart voor een menuet, maar dan wel eentje van het ambitieuze soort, met twéé in plaats van één trio (of contrasterende) sectie. Het eerste trio, in Es, is alleen voor de klarinetten en bassethoorns gecomponeerd. Een opvallende bezetting, die wellicht niet zonder symbolische betekenis is. Tweede klarinettist naast Anton Stadler was immers diens broer Johan, net zoals Mozart zelf én Anton sinds kort van de loge. En de twee bassethoorns werden met quasi zekerheid gespeeld door twee klarinettisten uit Bohemen, David en Vincent Springer, die zich hadden gespecialiseerd in de bassethoorn. Zij behoorden tot dezelfde loge als Mozart en de broers Stadler. Het zou best wel eens kunnen dat de vriendschap en de vrijmetselaarsband met deze vier uitzonderlijke klarinettisten een belangrijke drijfveer waren voor Mozart om een serenade op zo een uitzonderlijke schaal te componeren. En binnen die context is het niet verwonderlijk dat Mozart bij de eerste de beste gelegenheid, het eerste trio van het eerste menuet, de vier logebroeders samen laat spelen zonder inmenging van anderen. Het tweede trio, in de parallelle mineurtoonaard g, is dan weer hoofdzakelijk een uitgebreide solo voor hobo, bassethoorn en fagot.

Meest beroemd en meest diepgaand uit de hele Gran Partita is zonder twijfel het schitterende Adagio in Es; een mix van passionele gevoelens en sensuele warmte. Hoorns en fagotten zorgen voor een constant doorlopende, gesyncopeerde puls, waarboven eerst de klarinet, dan hobo en bassethoorn een fragiele, maar o zo tedere solo ontplooien, die probleemloos de tijd even stil laat staan. Altijd opnieuw volet het alsof het adagio té vroeg stopt – iedereen wil zo lang mogelijk in dit tijdloze paradijs vertoeven. Mozart contrasteert dit door als vierde deel een tweede menuet in te lassen, opnieuw een met twee trio’s. Hier is vooral het eerste trio hoogst uitzonderlijk. Exact op het middelpunt van de compositie (er zijn drie delen en half gepasseerd en er volgen er nog drie en half) schakelt Mozart over op de spectaculaire, hoogst ongebruikelijke toonaard bes mineur, nog een verwijzing naar de vrijmetselaars? Bovendien zijn de zes andere delen qua toonaarden perfect symmetrisch rond dit twee menuet geordend – nog een indicatie dat Mozart zeer bewust met structuur en symboliek omging in deze Gran Partita.

In het vijfde deel, Romanze, keert Mozart terug naar de toonaard Es en het langzame tempo van het Adagio – ook de opvallend lange noten in de melodie lijken een echo van het derde deel. Een middendeel, Allegretto, zorgt met de do-klein tonaliteit en met een constante puls in de fagotten voor een sterk contrast. Het voorlaatste deel is één van de vele hoogtepunten uit het werk: een reeks van zes variaties op een thema, andante, in Bes. Uiteraard krijgt de eerste klarinet de eer het thema te presenteren, maar in de loop van de variaties krijgt zowat iedereen de kans te schitteren. De vierde variatie is in bes mineur (net zoals het eerste trio uit het tweede menuet), waarna een langzame (adagio!) variatie en een snellere (allegretto) variatie volgen. Als afsluiter én als uitsmijter volgt een rondo waarin Mozart alle remmen los gooit en zich van zijn meest uitbundige én virtuoze kant laat zien.

De invloed van dit werk op een aantal bewonderaars van Mozart was immens. Zo gebruikt Alban Berg dertien blazers als begeleiding van viool en piano in zijn Kammerkonzert, een duidelijke indicatie voor de bewondering die hij voor Mozarts 'Gran Partita' koesterde. Richard Strauss gebruikte Mozarts serenade als model in niet minder dan vier werken: de twee serenades opus 4 en 7, telkens voor 13 blazers, en twee posthuum gepubliceerde werken voor 16 blazers. Het laatste van deze werken is zelfs opgedragen “aan de goddelijke geest van Mozart, aan het einde van een leven vol dankbaarheid”, zelfs met een letterlijk citaat uit Mozarts 'Gran Partita' helemaal aan het einde.

tekst: Diederik Verstraete

Terug

...
...

copyright van Korneel Alsteens(hoboist van I Solisti del Vento)


...